Expressionisme in glas en baksteen

Bruno Taut en de expressionistische bouwkunst in Duitsland 1914-33

De Amsterdamse School is een variant op de expressionistische bouwkunst, die rond de Eerste Wereldoorlog vooral in Duitsland aansloeg. Krankzinnig utopische ontwerpen, ontsproten uit wilde, hyperindividualistische fantasieën, bestonden naast zwierige, maar praktische arbeiderswoningen en kantoren. Beide kwamen samen in het werk van Bruno Taut, glasarchitect van het eerste uur, die van Berlijn via Moskou terecht kwam in Japan en Turkije.

Bruno Taut (1880-1938) wordt geboren in Koningsbergen, het huidige Kaliningrad. Voor hij zich in 1909 als zelfstandig architect vestigt, studeert en werkt hij bij zeer uiteenlopende bouwmeesters op uiteenlopende plaatsen: bij Fritz Neugebauer in Hamburg, bij Franz Fabry in Wiesbaden, bij Bruno Möhring in Berlijn (waar hij kennis van glas en beton opdoet) en bij Theodor Fischer in Stuttgart (waar hij zich verdiept in stedenbouw). Samen met de architect Franz Hoffmann en later zijn jongere broer Max bouwt hij Berlijn aan woningen, met voor het eerst zijn gebruik van opvallende kleuren: de tuinstad Falkenberg krijgt als bijnaam ‘Tuschkastensiedlung’.
In 1914 organiseert de Deutsche Werkbund in Keulen een bouwtentoonstelling, waarvoor Taut een ‘Glashaus’ ontwerpt: een utopische koepel van licht en kleur in glas en beton.

Deze diashow vereist JavaScript.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog neemt Taut de bouw van een kruitfabriek op zich, zodat hij geen frontdienst hoeft te verrichten. Door de Novemberrevolutie in Duitsland in 1918 wordt hij geïnspireerd om een revolutionaire kunstenaarsgroep te stichten, de Arbeitsrat für Kunst, in navolging van de soldaten- en arbeidersraden. Samen met Gropius en Hans Scharoun eist hij het slechten van de huidige fundamenten van de architectuur en de verdwijning van de persoonlijkheid van de kunstenaar.

De glazen ketting
In het chaotische naoorlogse Duitsland, met geldontwaarding, sociale onrust en politieke moorden, wordt zeer weinig gebouwd en jonge architecten krijgen geen enkele opdracht. Taut richt de architectengroep Die Gläserne Kette op, waarin een hooggestemd, expressionistisch ideaal wordt nagestreefd: een hyperindividuele bouwkunst, geïnspireerd op expressionistische schilder- en beeldhouwkunst en strevend naar de glazen ‘kathedraal van de toekomst’. De ver uit elkaar wonende deelnemers schrijven elkaar geheime brieven onder een pseudoniem: Walter Gropius (‘Mass’), Wenzel Hablik (W.H.), Hans Scharoun (‘Hannes’), Hans Luckhardt (‘Angkor’), Wassily Luckhardt (‘Zacken’), Hermann Finsterlin (‘Prometh’) en de broers Max en Bruno Taut (‘Glas’). Hun briefwisseling, die loopt van november 1919 tot december 1920, wordt gepubliceerd in het tijdschrift Frühlicht in 1921. Tauts uitgangspunt was de utopische tekst van de dichter Paul Scheerbart uit 1914, Glasarchitektur:

“Om onze beschaving op een hoger plan te krijgen, zijn we gedwongen, of we het willen of niet, om onze bouwkunst te veranderen. En dat zal alleen mogelijk zijn als we de kamers waarin we wonen bevrijden van hun afgesloten karakter. Dit kunnen we echter alleen doen door een glazen architectuur in te voeren, die het licht van de zon, van de maan en van de sterren doorlaat in de kamers, niet alleen door een paar ramen, maar door zo veel mogelijk muren, die geheel uit glas moeten bestaan – uit gekleurd glas.” De voorloper van dit ideaal is middeleeuws: ‘Der gotische Dom ist das Präludium der Glasarchitektur’. Grappig genoeg zijn de ontwerpen van de Gläserne Kette geen kerkgebouwen, maar theaters, musea en monumenten. Hoog in de Alpen, dat wel.

Wenzel Hablik, Crystal Castle in the Sea, 1914Wassili Luckhardt, Entwurf festhalle, ca. 1919Hans Scharoun, Idea for a Community Centre 1919.Id_182058

Andere expressionistische architecten krijgen wel opdrachten begin jaren twintig. Hans Poelzig verbouwt het Großes Schauspielhaus in 1919 tot een gotische druipsteengrot met geheimzinnige belichting (helaas in de DDR gesloopt). Fritz Höger ontwerpt in Hamburg het Chile-Haus (1922-24) in scheepsvorm, als puntige versie van het Scheepvaarthuis in Amsterdam. Erich Mendelsohn maakt in Potsdam het opvallendste expressionistische gebouw van Berlijn, de Einsteinturm (1919-22). In Berlijn zelf ontwikkelt hij zich tot de succesvolste expressionistische architect, met opdrachten van rijke particulieren (Karolingerplatz, 1922; Haus Dr. Sternefeld, 1923) en de vakbonden (Haus des Deutschen Metallarbeiter-Verbandes, 1929-30). Ook hij helt langzaam over naar het functionalisme (net als het Bauhaus in Weimar) en combineert expressionistische elementen met Nieuw-Zakelijke (Mossehaus, verbouwing 1921-23 van Cremer & Wolffenstein 1901-03; Lichtspielhaus Universum, Lehninerplatz, 1926-31).

Babelsberg, Einsteinturm, Potsdam, 1919-22 (Erich Mendelsohn)
Erich Mendelsohn, Einsteinturm, 1919-22

Hablik en Finsterlin zien hun ontwerpen slechts gebouwd als theaterdecors; de populairste expressionistische bouwsels zijn sowieso filmdecors, van de kronkelige straten in Das Kabinett des Dr. Caligari (1919) en Der Golem (1920) tot de toekomstontwerpen in Metropolis (1925).

Der Golem - Hans Poelzig
Hans Poelzig, decor voor Der Golem, 1920

Amsterdamse School in Berlijn
In 1919 wordt Walter Gropius directeur van het Bauhaus in Weimar, waar hij probeert het expressionistische ideaal te verwerkelijken: in het manifest staat al een houtsnede van een glazen kathedraal in de bergen. De eerste proeve wordt het Haus Sommerfeld in West-Berlijn, een totaalkunstwerk waar een aantal Bauhausdocenten en –leerlingen aan bijdraagt. Als het stof van de revolutie is opgetrokken, krijgen de Tauts, de Luckhardts, Finsterlin, Gropius en Scharoun in het deels socialistisch geregeerde Berlijn opdrachten voor volkswoningbouw in zogeheten Siedlungen, waar een enorme behoefte aan is. De planmatige bouw van arbeiderswoningen in Berlijn, maar ook in Frankfurt en Wenen, is afgekeken van Plan-Zuid in Amsterdam. Ook de architectuur, met leuke dingen voor gewone mensen, zoals sculpturen en baksteenversieringen, is ontleend aan de Amsterdamse School. Bruno Taut ontwerpt kolossale projecten, zoals de Hufeisensiedlung en de Onkel-Tom-Siedlung, maar ook kleinschalige appartementengebouwen en villa’s in Dahlem en Zehlendorf. In acht jaar tijd ontwerpt hij 12.000 woningen voor Berlijn.

Berlin-Gruenau, Gartenvorstadt Am Falkenberg, Bruno Taut, 1913-14
Bruno Taut, Onkel-Toms-Hütte, Berlijn

Ondertussen is in de kunstenaarskolonie Worpswede, nabij Bremen, een aantal baksteengebouwen in expressionistische stijl neergezet, ontworpen door de beeldhouwer Bernhard Hoetger, die ook een straat in Bremen op dergelijke wijze heeft vormgegeven voor koffieondernemingen HAG. Schrijver Edwin Koenemann ontwerpt voor Worpswede een ronde houten woning, die al snel de Käseglocke (kaasstolp) wordt genoemd; pas in de jaren tachtig wordt ontdekt dat het ontwerp van Taut is gestolen.

Bruno Taut, Worpsweder Käseglocke, erbaut 1926
Bruno Taut, atelierwoning Käseglocken, 1926, Worpswede

Japan en Turkije
In 1932 krijgt Taut een opdracht in Moskou voor de inrichting van een kantoor voor het stadsbestuur. In februari 1933 keert hij ontgoocheld terug naar Berlijn, maar daar vindt hij geen werk meer. Door de nazi’s wordt Taut voor ‘cultuurbolsjewiek’ uitgemaakt en zijn hoogleraarschap wordt hem afgenomen. Hij vlucht naar Zwitserland en vestigt zich vervolgens in Takasaki (Japan). Hij schrijft er drie boeken over Japanse architectuur, maar krijgt geen bouwopdrachten. In 1936 biedt Turkije Taut een functie als hoogleraar architectuur aan de Academie voor Schone Kunsten in Istanboel aan. Taut neemt de baan aan en krijgt daarnaast in Turkije diverse overheidsopdrachten. Naast zijn eigen woning in Istanboel zijn dat schoolgebouwen in Ankara (de reusachtige faculteit Filologie van de nieuwe universiteit) en Trabzon.

Bruno Taut overlijdt in 1938 op 58-jarige leeftijd te Istanboel aan een astma-aanval. Vlak voor zijn dood ontwerpt hij de katafalk van Atatürk. Als eerste niet-moslim wordt hij begraven in de begraafplaats voor martelaren in Edirnekapı.

Deze diashow vereist JavaScript.